Wat is dat mama?”, vraagt Janne terwijl ze naar het vrolijk gekleurde doosje op tafel wijst.

Ik vertel dat het een doosje is met spulletjes van toen ik een baby in mijn buik had, lang geleden. “Zit die nog in jouw buik?”

Ik vertel haar zoals ik denk dat het goed is om te vertellen. Dat het een klein babietje was, dat ze maar kort in mijn buik was, ziek was, niet groot werd, en nu in de hemel is.

Ze vraagt van alle symbooltjes in het doosje wat ze zijn. Ik kies mijn woorden zorgvuldig, maar eerlijk. Ze speelt even met twee kleine diertjes (waarvan ik destijds zo’n vertedering uit vond gaan), maar hoeft die niet te hebben,wanneer ik dat voorstel.

Ik voel de behoefte om mijn 3 kindjes te verbinden, merk ik. Het is zo dubbel. Als ons eerste kindje er was geweest, was Janne er nooit gekomen. Niet in de vorm, de energie, de prachtige ziel die ze nu is. Ze staan los en zijn tegelijk voor mij zo verbonden.

Als ze de herfstblaadjes pakt, vertel ik dat ik die meenam van het plein waar wij nu regelmatig komen, waar ze heel veel schommels hebben. Dat ik daar toen even zat en iets gedronken had en die blaadjes vond.

“Ging je daar dan ook schommelen met de baby? Toch niet op mijn schommel?”

Ik leg uit dat dat niet kon, de baby was nog in mijn buik en heel klein. Ik zit achter haar, ze ziet niet hoe ontroerd ik ben.

“Een heel klein schommeltje dan? In jouw buik, dat kan wel”

“Ja meissie, dat zou wel kunnen, een heel klein schommeltje… “ Ik zie in een flits het beeld voor me en glimlach door mijn tranen.

Ik leg uit dat mama het doosje gepakt heeft om over te schrijven, zodat andere mama’s die kleine baby’s in hun buik hadden, dat kunnen lezen.

Het is genoeg voor haar. Ze dribbelt naar de kast en zegt resoluut: “Ik wil nu met iets héél leuks spelen”.