“Je moet níet denken dat jouw verdriet minder mag zijn dan het mijne hoor!”.

Ze zegt het met nadruk op bijna alle woorden, alsof ze het me daarmee in wil prenten. Ook ik heb recht op rouw.

Haar zoontje is een paar jaar daarvoor overleden, tijdens de bevalling, helemaal voldragen.Mijn kleine spruitje was nog lang niet levensvatbaar met 11 weken. Maar net zo gewenst.

Het is 2012. We drinken thee en praten. Zij eerst. Ze deelt haar fotoboek, is open, recht door zee. Er staat een prachtige en tegelijk verdrietige foto van haar zoontje in haar huis. Hij hoort erbij.

Ik durf dat dan nog niet zo goed, heb steeds het gevoel dat mijn verdriet er niet mag zijn. Het was nog zo pril… ik naar de toekomst kijken. Met allerlei argumenten probeert mijn hoofd mijn gevoel minder te maken dan het is.

Maar dat lukt niet.

En dan nodigt deze lieve moeder me ook nog eens uit om het ten volle te voelen, het verdriet. Het geeft zoveel ruimte, ook al vind ik het moeilijk om die te benutten en te voelen. Mn hart en m’n mond zitten een beetje op slot.

Niet alleen mijn hoofd, ook de mensen om ons heen dragen eraan bij dat ik het gevoel kleiner maak dan het moet zijn. Goedbedoeld, want ze willen zo graag dat het goed met ons gaat. Het verdragen van onze pijn is hen teveel, zo lijkt het wel. Ze maken opmerkingen of stellen vragen die een gesprek en mijn gevoel volledig lamleggen.

“Jullie hebben gelukkig elkaar nog… (ja… maar ik mis het kindje in mijn buik. Heel erg!)

“Nou, je kan tenminste zwanger worden” (eh.. ja zeker waarmaar dit kindje is dood… en dat gaat nooit meer weg)

“Je moet er ook niet in blijven hangen, je kan het maar beter achter je laten”. (Echt, wie dat bedacht heeft. Dat is zo’n fabel. Maar daar heb ik het een andere keer uitgebreider over…)

Ik klapte meestal dicht bij deze opmerkingen, ze bevestigden mijn idee dat ik geen recht had op verdriet. Daardor kwam er een soort modus waarin ik niet zoveel meer vertelde, en anderen ook niet veel meer vroegen. Waarschijnlijk met het idee dat ze ons daar een plezier mee deden.

Gelukkig waren er ook mensen die bleven vragen hoe het echt ging, die geen oplossingen hoefden te geven voor ons verdriet en gewoon alleen maar aanwezig waren. Mensen die tot dan toe niet eens zo heel dichtbij me stonden.

Maar hun woorden gaven zoveel steun dat ik ze, ook nu we jaren verder zijn, nog letterlijk weet.

Zoals de woorden van deze moeder bij wie ik in de huiskamer zit, en met wie ik theedrink en foto’s deel. We hebben nog nooit afgesproken zonder onze gezamenlijke vriendin. Maar we zijn er, met z’n twee, samen met al onze kinderen.

Zo ontstaat er openheid, middenin het doolhof waarin ik me vaak voel zitten. Alsof iemand je even optilt en laat zien hoeveel ruimte er eigenlijk is en waar de paden lopen. En dat je de weg wel vindt, als je je gevoel maar de ruimte geeft.

Het ging niet vanzelf.

Ik heb moeten leren rouwen, ruimte maken voor m’n gevoel.

Dat ik alles mag voelen, hoe klein mijn hoofd het ook maakt, of wat anderen ook zeggen. En dat ik voor dat gevoel mag zorgen, wat het ook is dat ik nodig heb.

Jij bent de enige die kan voelen hoe je je voelt. Wanneer je het voelt. En wat je ermee doet.

Elisabeth