Of het nu hoofdpijn is die ik de afgelopen dagen had, een zware griep, of het herstellen na een ingrijpende gebeurtenis: nare gevoelens willen we eigenlijk liever ver weg dragen dan dat we ze verdrágen .

Ver weg dat verdriet. We parkeren het ergens. Het andere eind van de wereld, zoiets. Een hoekje in de Australische outback, en dan wij snel weer terug. Blijf maar daar. Letterlijk doen mensen dit. Op reis gaan in een moeilijke tijd. Soms lukt het om een beetje van de zwaarte daar te laten. In die woestijn. Op die berg. Onder die boom. In die drukke stad.

Omdat ze voelen dat het ook weer een beetje licht kan voelen. Omdat ze weer wat kunnen genieten.

Robert en ik maakten het mee in Berlijn, drie weken na het afscheid van Lieve. “Is dat niet te snel?”, schoot nog door ons hoofd. Maar we gingen op gevoel en we genoten. Konden alles voelen. Verdriet, vreugde, de zwaarte en lichtheid die Berlijn in zich heeft. Toekomstgericht, zonder het verleden uit te willen wissen.

Letterlijk betekent verdragen ‘dulden’. Het er laten zijn. Liever niet, maar vooruit dan toch maar. En het mooie is dat het in allerlei talen vergelijkbare woorden zijn. Fordragi (Deens), Fordra (Zweeds), Ferdragi (Sranan). En natuurlijk Vertragen in het Duits.

Zodra je merkt dat alleen maar ver weg willen houden van verdriet, je je niet beter laat voelen, zul je het gaan doen. Verdrágen.

Vooruit dan maar. Kom maar. En ga maar weer als het genoeg is.

Je merkt het vanzelf. Je laat het toe, je kunt het verdragen.

Je draagt het.

En daarmee wordt de zwaarte vanzelf minder.