Een rouwstoet komt aanrijden bij het zebrapad waar we bijna willen oversteken.

Drie rouwauto’s in vol ornaat, met nog wat gewone auto’s erachter die erbij horen. Ze minderen vaart en draaien de hoek om van de kruising waar we staan.

Janne komt omhoog en draait zich om in haar wagentje om het goed te kunnen zien. Mijn hart in mijn keel…

“Zooo dat zijn lange auto’s…. “

Niets over waarom die auto’s allemaal hetzelfde zijn, wat die bloemen in de achterste zijn, die duidelijk zichtbare kist, waarom de ramen spiegelen, waarom ze zo langzaam rijden. En toch hoor ik haar vragen, zie haar vragende blik. Wat is dit, waarom is dit zoals het is.

Hoe vertel je een kleuter over de dood?

En dan hoor ik mezelf het beginnetje maken: “Zie je die voorste auto? Daarin ligt iemand die dood is.”

No way back.

Het gesprek erna gaat met horten en stoten. De eerste reactie geeft lucht aan het geheel: “Zit er dan wel iemand achter het stuur?” Ik glimlach en zeg dat er zeker iemand anders is, en dat alle mensen afscheid gaan nemen van die meneer of mevrouw.

Duidelijke woorden gebruiken Elisabeth. Dan komt die zin… die zin die je als ouder niet wil hoeven beantwoorden maar waarvan je weet dat-ie komt. “Gaan jullie ook bijna dood?”

“Nee meissie wij gaan nog lang niet dood. Papa en mama worden heel oud”.

“Worden – heel – oud” maakt dat deze vierjarige in snikken uitbarst, zo blijkt dan. Want het klinkt voor haar waarschijnlijk alsof dat elk moment kan gebeuren. Iets met nog niet ontwikkeld tijdsbesef, ik vergeet het elke keer.

Terwijl ik gehaast de zebra met haar oversteek om haar aan de overkant te kunnen troosten, komen er woorden bij het gesnik.  “Dan heb ik niemand meer om mee te spelen als jullie er niet meer zijhijhijn…”

Ik til haar op en knuffel haar. “Ik wil naar huis…. ik wil met papa spelen”.

Ik leg nog iets uit over dat mensen eerst oud worden, dat dat heel lang duurt, probeer haar gerust te stellen met de wetenschap dat ze een oma van 103 heeft… het lijkt niet veel uit te maken. Het gaat niet om de woorden. Ik adem even in en uit.

Zoals het is

Dan zeg ik haar maar gewoon zoals het is, vanuit het nu. Dat papa en mama zolang ze kunnen altijd bij haar blijven. Dat ze altijd hééll dichtbij zijn om te spelen. En als ze moeten werken, zij naar school is, of ik even ga wandelen met een vriendin, ze ook in de buurt zijn en weer terugkomen. Geen idee of ik het goed doe… maar dit is hoe het is.

Als ze weer in de wagen zit, grap ik even “heeeeeel dichtbij” met m’n hoofd bij het hare. Ze duwt me weg en lacht.

Ik zit nog op m’n hurken, haar gezicht tegenover het mijne. Ze volgt met haar vinger de lijnen op mijn voorhoofd, alsof ze even checkt of alles weer klopt. Weer zoals vroeger is. Vroeger toen ze nog niet wist, dat ook mensen van wie je houdt dood kunnen gaan.

De tijd staat even stil daar op die stoep. Zij laat de tijd stilstaan, zoals ze dat elke dag doet met haar spel. Met haar intuïtie. Met haar impulsiviteit, haar dansen, haar driftbuien. In het nu.

“Je hebt wit op je neus” zegt ze dan… en we lachen om de zonnebrand die er nog zit.

De hele weg plukt ze paardenbloemenpluizen, of eigenlijk pluk ik ze, geef ze haar waarna ze ze uitblaast of ongeduldig afplukt.

Ik vergeet om wensen te doen, maar voel ze in m’n hart.

Altijd dichtbij. Spelen zo vaak als we kunnen.