Begin 2011 komt ineens het bericht via familie: je zou wel eens drager kunnen zijn, iets met je genen. Een erfelijke ziekte, op termijn dodelijk. Ach, wat zijn de kansen dat mijn vriend en ik beide drager zijn en die ziekte dan ook nog eens doorgeven? Even bloedprikken. Een kans is ineens een feit.

Robert heb ik een half jaar daarvoor ontmoet. Eindelijk een man bij wie ik compleet mezelf kan zijn. Met mijn gevoeligheid, spontaniteit, creativiteit. Zo verliefd en vanzelf… het lijkt of de wereld voor ons open ligt. Een kinderwens werd al na een paar weken besproken. Een volmondig ja, we zijn immers niet meer de jongsten.

En nu, we zijn elkaar nog aan het leren kennen en zitten al in Grote Serieuze Zaken. Een gesprek bij klinische genetica volgt. De keuzes waar we voor staan. IVF met embryoselectie biedt weinig kans en heeft lange wachttijd. Wat dan? Proberen en afbreken als het niet lukt? Dat kan ik toch niet!

De kinderwens is zo groot geworden dat we dit wel aangaan. 1 op 4. Een gok. Een belachelijke keuze om te moeten maken. Tot 2 keer toe. Twee zwangerschappen breken we af. Al vroeg. Alsof dat uitmaakt. Het was niet te doen en toch deden we het. Hartverscheurend, hoewel het dat niet mocht zijn. Een onbegrepen keuze voor mensen buiten onze directe omgeving. Gemaakt vanuit onvoorwaardelijke liefde.

Omgaan met verdriet

Ik had het niet geleerd, verdrietig zijn en nare gevoelens toelaten. Ik kom net als veel van mijn leeftijdsgenoten uit een gezin waar we vooral leerden “niet te lang stil te staan” en vooral te kijken naar de positieve dingen. Mijn manieren bij tegenslag? Je best doen, iets anders gaan doen, of doen alsof het er niet is. School? Doe maar goed je best. Gepest worden? Trek je er niks van aan. Verbroken relaties? Er komt wel iemand die beter past.

Ook met dit verdriet probeerde ik eerst te doen of het er niet was. Gauw door met ons leven en kijken naar wat we wel hadden. Alles onder het tapijt. Het werkte niet. Heel duidelijk niet. Het gevoel moest doorleefd, voordat ik door kon met leven. Ik ging wandelen, foto’s maken, schrijven om te kunnen voelen. Na het tweede afscheid ging ik het anders doen. Voelen zou ik. Ik maakte tijd, ruimte, rituelen. Het hielp. Het verdriet werd zachter doordat het er mocht zijn.

Hou het luchtig?

Het verdriet van de afgelopen jaren heeft me op allerlei vlakken andere keuzes doen maken. Ik heb gas terug moeten nemen. Naar binnen richten, steeds weer voelen wat ik nodig heb. Het zoveel mogelijk simpel en luchtig houden in m’n leven.

Alleen had ik één probleem. Ik was nog lang niet toe aan luchtig, want ik moest immers zwanger worden en een gezond kindje krijgen. Nu via IVF want nog zo’n afscheid wilden we niet nogmaals hoeven nemen. Ik dook in fertiliteitsyoga en gezond eten, alles voor de vruchtbaarheid. En toen bleek dat ik
toch gewoon nog maar heel weinig eicellen had, ondanks al mijn “m’n best doen”.

M’n best doen in en na de zwangerschap

In 2015 werd ik zwanger, na een lange weg. Ik was doodsbang ook dit kindje te verliezen. Ik kon de angst voelen, maar ging ook vreselijk m’n best doen. Ik wilde alles zo natuurlijk mogelijk. De begeleiding, de bevalling, borstvoeding, m’n kind dragen, de hele mikmak. Ik zou laten zien dat ik dat toch wel echt kon.

En toen beviel ik via een keizersnede, lukte de borstvoeding (ook na 3 weken) niet en ging het eigenlijk helemaal niet zo goed met mij. Daarna kreeg ik bekkeninstabiliteit. Alles wat ik bedacht had en waar ik m’n best voor deed, lukte niet. En echt, oprecht kan ik nu zeggen: ik had niet meer kunnen doen dan ik heb gedaan. Maar verdrietig vind ik het wel.

Ook na de bevalling deed ik m’n best, de best mogelijke moeder te zijn. Ik legde mezelf zo’n druk op, en ondertussen was ik doodsbang. Mensen om me heen zagen het niet. Zelfs mijn partner had het niet in de gaten. Deed ik dan echt zo stoer? Blijkbaar wel. “Nu is alles toch nog goedgekomen”, zeiden mensen, uit alle liefde. Ik wilde dat ook heel graag. Maar het was niet goed. Ik had allerlei nare gevoelens en gedachten dat mijn baby iets zou gebeuren. Na erkenning (“Oh wow, ik ben niet de enige!”) en een EMDR-behandeling, kreeg ik weer wat rust en vertrouwen. Vertrouwen dat dit kindje wel bij ons zal blijven.

Niet meer m’n best doen, niet weglopen

Steeds duidelijker weet ik dat de sleutel bij verdriet en verlies niet zit in het nog beter je best gaan doen. Zoals mensen zeggen: je krijgt tekens van het universum tot je het snapt. Ik oefen (let op de woordkeus ;)) met voelen. En vertrouwen. Het omarmen van alles wat er gebeurd is en nog steeds gebeurt. Het leven. Het omarmen van alles in mezelf. Er lief voor zijn. Hulp bij vragen. Hoe verwarrend en tegenstrijdig en irritant m’n gevoel ook is. Het is er toch. Onder het tapijt stoppen heeft geen zin. Niet meer. Ik kan ze maar beter vanaf het tapijt rustig aan bekijken. Dan zit ik zacht, en licht ik af en toe een puntje op om te kijken wat eronder zit.